Hoe wordt glaucoom vastgesteld?

De belangrijkste risicofactoren voor glaucoom zijn behalve de oogdruk, leeftijd, een familiale aanleg, ras, bijziendheid, een te lage bloeddruk en diabetes.

Als de oogdruk meer dan 21mmHg (millimeter kwik) bedraagt is er gevaar voor glaucoom.

Soms kan glaucoom voorkomen bij mensen met een schijnbaar lage oogdruk (dus minder dan 21mmHg). Men spreekt in dat geval van een normotensief glaucoom.

Anderzijds zijn er ook mensen die een oogdruk hebben van méér dan 21mmHg zonder schade aan de oogzenuw. Deze mensen hebben oculaire hypertensie en hebben niet noodzakelijk een behandeling nodig, maar hebben wel een verhoogd risico op het ontwikkelen van glaucoom.

In het ontstaan van glaucoom zijn er dus meerdere risicofactoren. Het is dus niet afhankelijk van de oogdruk alléén.

Omdat de eerste symptomen meestal niet door de patiënt zelf worden opgemerkt en omdat een tijdige diagnose een correcte behandeling mogelijk maakt, en zo zichtsverlies voorkomt, is het van groot belang om vanaf de leeftijd van 40 jaar de oogdruk regelmatig te laten controleren.

Deze controle gebeurt best om de 2 jaar door een oogarts. Wanneer andere mensen in uw familie gekend zijn met glaucoom is zelfs een jaarlijkse controle aangeraden omdat het risico op glaucoom dan groter is.

Uw oogarts zal bij elke controle nauwkeurig de verschillende parameters nakijken die van belang zijn bij het ontstaan of de verdere ontwikkeling van glaucoom.

Dit betekent dat naast de controle van de oogdruk zelf, ook de oogzenuw wordt nagekeken en regelmatig ook het gezichtsveld wordt gecontroleerd. Ook kunnen andere metingen worden uitgevoerd (cornea pachymetrie en papilbiometrie) die een nauwkeurige opvolging mogelijk maken.

Contact & locatie

Taxanderlei 13
2900 Schoten

Tel.: 03 658 80 87
zeyen.cosemans@skynet.be

Routebeschrijving

Afspraak maken

Maand-dinsd-donderd-vrijd : van 8.30u tot 12.00u en van 13.30u tot 18.00u

Op andere momenten wordt u voortgeholpen via een telesecretariaat.

U kan ons online bereiken via Contact